De afgelopen les is gegaan over hoe een vraag is opgebouwd in componenten.
Componenten:
-Het gegeven
-Het gevraagde
Aan het antwoord is het handig om een descriptor te hangen om dit eventueel als zoekterm te gebruiken.
Een aantal voorbeelden.
-Wat is het geboorteland van prinses Maxima?
Het gegeven is prinses Maxima, descriptor koninklijk huis. Het gevraagde is haar geboorteland, descriptor is land.
-Wat zijn de spelregels van voetbal?
Het gegeven is voetbal, descriptor sport. Het gevraagde zijn de spelregels, descripoter voetbal,spelregels.
Naast het gegeven en gevraagde zijn de onderstaande gegevens ook belangrijk om de vraag helder te krijgen en dan goed te beantwoorden.
-Deelvragen
Bestaat de vraag uit meerdere vragen. Misschien blijkt dit niet direct maar stelt de klant later nog een vraag over het onderwerp. Bij de evaluatie komt dit waarschijnlijk naar voren.
-Context
Wie stelt de vraag en waarvoor is het nodig. Bijvoorbeeld een 9 jarige scholier voor een werkstuk of een 33 jarige meneer voor een onderzoek.
-Bron
Wat ga je gebruiken om het antwoord te vinden. Dit kan de catalogus van de bibliotheek zijn maar ook website van een organisatie. Of beide. Tenslotte is 1 bron geen bron. De paaseiregel.
wat een duidelijke uitleg van de behandelde stof!Complimenten.Ook alles op deze manier kunnen vinden?
BeantwoordenVerwijderenIk heb alleen de voorbeelden bedacht. Wel als er een vraag in de bibliotheek wordt gesteld spookt dit lijstje door mijn hoofd.
BeantwoordenVerwijderen